Vorige week liet ik een studie uit deel 2 van het Lehr- und Handbuch der Endspiele van André Chéron zien. Opmerkelijk is dat ik in het boek niet heb kunnen vinden wie de componist van deze studie is. Maar de vraag was dus: waarom wint Kb4 niet en wat wint er wél? Hieronder het antwoord.

 

Vandaag is het kandidatentoernooi in Jekatarinenburg hervat. Heerlijk om dat weer te volgen via internet, rechtstreeks of in de dagbeschouwing van Stefan Kuipers via Schaken.nl of het twitchkanaal van de KNSB.
Ik gebruik de maandagavond die nu vrijvalt doordat we elkaar niet kunnen ontmoeten, om in de eindspelencyclopedie van André Chéron weer zo'n pareltje op te zoeken. Vandaag kijken we weer naar de ondoorgrondelijke wegen van het paard:

 

Deze stelling, nummer 802 uit het genoemde boek, is verrassend genoeg gewonnen voor wit, ongeacht wie er begint! Volgende week geef ik de oplossing, voor nu 2 hints: 1. Kb4 wint níet en 2. zwart kán mat in de hoek!

 

Frank Hoogenboom

Wat doet een man als hij weinig heeft met on-lineschaken en geen zin meer heeft om in openingstheorie te kijken, problemen te componeren of eindspelstudies te bestuderen? Hij begint plotseling het mat van K+P+L tegen K-alleen te oefenen! Nu wist ik wel dat er ergens een bijzonder moment in dat mat zit: de K-alleen lijkt te gaan ontsnappen naar de hoek van de andere kleur dan de loper, maar wordt door een mooie manoeuvre van het paard teruggedreven. Laat ik die eens opzoeken, dacht ik bij mezelf, en ik pakte er het mooie boek "Het eindspel 1" van de nooit voltooide serie van Euwe en Donner bij (voor de goede orde: de grote Max Euwe had de serie in eerste instantie gemaakt en Donner was aan een revisie begonnen, maar had deze nooit kunnen afmaken). Mijn oog viel op een blaadje dat voorin het boek zat. Op dat blaadje stond een - evenmin voltooide - analyse van het eindspel dat ik in maart 1976 in Soesterberg speelde tegen een zekere Van Vliet. In die tijd was ik lid van schaakclub Zeist en speelde ik met het vierde team tegen Soesterberg. Het eindspel had ik gewonnen. Maar eerst maar eens hoe het was ontstaan. Zie onderstaande stelling. 

Dat ging soepel, zou je dan zeggen, maar nu heb ik toch twee vragen:

1. Wat had wit beter kunnen doen dan 31. Txe5?
2. Is het pionneneindspel nu werkelijk gewonnen of had wit anders kúnnen spelen?

Volgende week kom ik daarop terug.

Frank Hoogenboom

Vorige week stelde ik twee vragen over een oude partij die ik van mezelf terugvond met een analyse erbij waarmee ik had proberen te bewijzen dat het pionneneindspel voor mij gewonnen was geweest. Hieronder de hele partij met mijn analyse van destijds en het antwoord op de twee vragen. 
De computer ziet natuurlijk meteen de zet die me destijds op de pijnbank had doen belanden, maar iets meer moeite heeft hij om toe te geven dat het pionneneindspel eigenlijk gewoon remise was... Hij blijft maar een score van +2 geven, terwijl hij de zetten herhaalt... Maar goed, wat ik van deze analyse weer geleerd heb is: zo'n pionneneindspel waarin de bovenliggende partij wel een pion meer heeft maar die pion een dubbelpion is, zal vaak remise zijn als de onderliggende partij maar kan verhinderen dat de tegenpartij binnendringt. DIt zal overigens de reden zijn dat ik over dit soort eindspelen nauwelijks iets terugvind in de eindspelboeken die ik heb (dus ook niet bij Chéron).

Vorige week liet ik een fantastische (winst)stelling zien die Jan Timman (aan zet met wit) in het interzonetoernooi van 1979 in Rio bereikt had tegen Velimiroviç en waarvan hij, tijdens het afbreken, had uitgevonden dat eindspelkenner André Chéron hem in zijn Lehr- und Handbuch der Endspiele behandeld had. Ik stelde de vraag hoe wit de zwarte koning naar de h-lijn zou kunnen dwingen als juist zwárt in die stelling aan zet was geweest. De zwarte koning daarheen drijven is belangrijk is, omdat, als de zwarte koning op de h-lijn staat, wit op een zeker moment zijn toren kan geven voor de zwarte pion en loper en dan na Kb4 en a4 kan doorlopen naar dame. Het voert te ver dat hier te demonstreren, maar het antwoord op mijn vraag leidt er allereerst toe dat we ons afvragen: wát gaat zwart eigenlijk doen in de diagramstelling van vorige week? Chéron toont aan dat wit of  kan zorgen dat hij in de diagramstelling alsnog aan zet komt of  de zwarte koning in het nauw kan drijven. De enige loperzet die in aanmerking komt is 1. .. Lc1 en die leidt na 2. Ke7 Lg5+ (anders Tg3+ en de koning moet naar de rand) 3. Ke8 Lc1 (anders Txa3) 4. Tg3+ snel tot het gewenste resultaat: de zwarte koning op de  h-lijn.
De zet waar het om draait is dus kennelijk 1. .. Kg7. De winnende zet blijkt daarna het geniepige 2. Tf4! Chéron laat zien dat zwart hierna in alle varianten verliest. Allereerst blijken loperzetten niet meer te helpen:
2. .. Lc1 3. Tf7+ Kg6 (of 3. .. Kg8 4. Kf6 gevolgd door Kg6 en de zwarte koning is opgesloten, zodat de toren de loper er op tempo uit kan spelen, of 3. .. Kh6 4. Tf1 Le3 (anders Tg1) 5. Tf3 en Tg3) 4. Tf1 Le3 5. Tf3 en Tg3.
Ook 2. .. La1 is onvoldoende: 3. Tf7+ Kg8 (3. .. Kg6 verliest nu direct na 4. Tf3 Lb2 5. Tg3+) 4. Tf3 Lb2 en nu hebben we de beginstelling weer maar nu met wít aan zet: 5. Ke7 en Tg3+ en wint.
De lastigste zet voor wit is 2. .. Lc3. Ook dan volgt 3. Tf7+ Kg8 (op 3 .. Kg6 of Kh6 wint 4. Tf3 en Tg3+) 4. Tf3 Lb4 (of 4. .. Lb2 5. Ke7 en wint) 5. Tg3+! Kf8 6. Tb3 Lc5 7. Tc3 Lb4 8. Tc7 Ld2 (of e1 of a5, en ook niet 8. .. Kg8 wegens 9. Kf6 gevolgd door Tf7 en Kg6 met een winststelling die we hierboven ook al zagen) 9. Tf7+ Kg8 (of 9. .. Ke8 10. Ta7 en wint) 10. Kf6 en Kg6 met wederom een hierboven beschreven winststelling. 
De zetten 2. .. Kg6 en 2. .. Kh6 worden uiteraard meteen met 3. Tg3(+) beantwoord en na 2. .. Kg8 bereiken we met 3. Ke7 weer een stelling waarin zwart niet kan verhinderen dat zijn koning na 4. Tg4+ naar de h-lijn moet.
Een stelling die mooi demonstreert hoe je met een toren een loper de baas kunt blijven.

Frank Hoogenboom