Vorige week stelde ik twee vragen over een oude partij die ik van mezelf terugvond met een analyse erbij waarmee ik had proberen te bewijzen dat het pionneneindspel voor mij gewonnen was geweest. Hieronder de hele partij met mijn analyse van destijds en het antwoord op de twee vragen. 
De computer ziet natuurlijk meteen de zet die me destijds op de pijnbank had doen belanden, maar iets meer moeite heeft hij om toe te geven dat het pionneneindspel eigenlijk gewoon remise was... Hij blijft maar een score van +2 geven, terwijl hij de zetten herhaalt... Maar goed, wat ik van deze analyse weer geleerd heb is: zo'n pionneneindspel waarin de bovenliggende partij wel een pion meer heeft maar die pion een dubbelpion is, zal vaak remise zijn als de onderliggende partij maar kan verhinderen dat de tegenpartij binnendringt. DIt zal overigens de reden zijn dat ik over dit soort eindspelen nauwelijks iets terugvind in de eindspelboeken die ik heb (dus ook niet bij Chéron).

Wat doet een man als hij weinig heeft met on-lineschaken en geen zin meer heeft om in openingstheorie te kijken, problemen te componeren of eindspelstudies te bestuderen? Hij begint plotseling het mat van K+P+L tegen K-alleen te oefenen! Nu wist ik wel dat er ergens een bijzonder moment in dat mat zit: de K-alleen lijkt te gaan ontsnappen naar de hoek van de andere kleur dan de loper, maar wordt door een mooie manoeuvre van het paard teruggedreven. Laat ik die eens opzoeken, dacht ik bij mezelf, en ik pakte er het mooie boek "Het eindspel 1" van de nooit voltooide serie van Euwe en Donner bij (voor de goede orde: de grote Max Euwe had de serie in eerste instantie gemaakt en Donner was aan een revisie begonnen, maar had deze nooit kunnen afmaken). Mijn oog viel op een blaadje dat voorin het boek zat. Op dat blaadje stond een - evenmin voltooide - analyse van het eindspel dat ik in maart 1976 in Soesterberg speelde tegen een zekere Van Vliet. In die tijd was ik lid van schaakclub Zeist en speelde ik met het vierde team tegen Soesterberg. Het eindspel had ik gewonnen. Maar eerst maar eens hoe het was ontstaan. Zie onderstaande stelling. 

Dat ging soepel, zou je dan zeggen, maar nu heb ik toch twee vragen:

1. Wat had wit beter kunnen doen dan 31. Txe5?
2. Is het pionneneindspel nu werkelijk gewonnen of had wit anders kúnnen spelen?

Volgende week kom ik daarop terug.

Frank Hoogenboom

Vorige week liet ik een eindspelstudie van mijn idool Samuel Loyd zien waarin hij aantoont hoe een weinig waarschijnlijke (remise)stelling van K+P+randpion tegen K-alleen in de praktijk zou kunnen ontstaan. Ik geef hier eerst de oplossing. Sleutelzet 1. Ld7! De belangrijke pointe is dat het nu na 1. .. Pf3+ 2. Ke2 h2 3. Lc6 h1D 4. Lxf3+ en 5. Lxh1 remise is en dat in deze variant ook 2. .. Pd4+ 3. Kd4 h2 4. Pxd4 h1D 5. Lc6+ en Lxh1 tot remise leidt. Er rest zwart niets anders dan te vervolgen met 1. .. h2 en nu komt wit alsnog met 2. Lc6+. Het zal duidelijk zijn dat 2. .. Pf3+ 3. Ke2 h1D weer tot dezelfde remise leidt als zojuist getoond, maar wat moet wit dan nog na 2. .. Kg1 met de dreiging 3. .. Pg2 en promotie? Welaan, daartegen heeft wit nu het spectaculaire 3. Lh1!! waarna 3. .. Kxh1 4. Kf2 de remise forceert (en zoals wij inmiddels weten vooral níet 4. Kf1 en zwart wint!). Zwart kan de strijd nog even gaande houding met 2. .. Pf4+3. Ke1 Ph5 4. La8 (niet 4. Ke2 wegens 4. .. Pg3+ en 5. .. Pxh1 en wint) en zwart komt niet verder meer. Wonderschoon.

Voor mijn nieuwe opgave ga ik ver terug in de tijd, en wel naar 1979. In dat jaar speelde Jan Timman in het interzonetoernooi in Rio de Janeiro en aanvankelijk verging hem dat niet zo goed af, maar gaandeweg werkte hij zich op en dat herstel zette zich door toen hij zijn afgebroken partij uit de 8ste ronde tegen Velimiroviç wist te winnen. Timman schrijft erover in zijn prachtige boek "het Smalle Pad" dat het een partij was "die me meer tijd en energie heeft gekost dan welke partij ook in mijn carrière. Evenmin heb ik tevoren of erna een partij gehad die zo lang afgebroken bleef, namelijk zestien dagen, de duur van een gemiddeld toernooi." Tegenwoordig bestaat de afgebroken partij niet meer, maar in die tijd was het inderdaad een echte energieslurper. Eerder liet ik al mijn remisepartij tegen Tromp-Willem van Urk zien die inderdaad pas na maanden uitgespeeld werd en waarin ik een eenvoudige winst meende te hebben geanalyseerd en bedrogen uitkwam met een standaardremise. De partij van Timman, echter, liet het omgekeerde beeld zien. Na het eerste afbreken was op de 64ste zet een stelling ontstaan van K+T+a-pion tegen K+L+a-pion en Velimiroviç nam, zo schrijft Timman, aan dat die remise was. Aan het einde van de tweede sessie (van 6 uren!) probeerde hij Timman dan ook duidelijk te maken dat het potremise was. Voor de positie bij het tweede afbreken, na zet 77 van zwart, zie het diagram. Timman zette zich de dagen erna met zijn secondant Ulf Andersson echter aan het analyseren en tot hun verbazing ontdekten ze dat de afgebroken stelling voorkwam in deel 1 van het Lehr- und Handbuch der Endspiele van André Chéron! Chéron liet zien dat de stelling gewonnen is voor wit! Grote vreugde natuurlijk bij de mannen, totdat... ze ontdekten dat wit daar wel meer dan 50 zetten voor nodig zou hebben vanaf het moment dat het laatste stuk was geslagen en pion gezet, bij zet 64. Het was dus zoeken naar verbeteringen van de analyses van Chéron en/of hopen dat Velimiroviç zich niet optimaal zou verdedigen. 
Vanuit Nederland leefden we intussen hartstochtelijk mee met onze landgenoot die nadat deze partij begonnen was, zich inmiddels flink op de ranglijst had opgewerkt en inmiddels bij winst zicht had op een plek in de top! In mijn herinnering staat nu dat ik in dezer dagen een bezoekje aflegde aan het Maasdal en daar op enige afstand van het veer bij Broekhuizen stond, terwijl de radio in de stille vooravond daar zijn tonen over het water verspreidde. Een nieuwslezer meldde dat Timman zijn partij had gewonnen! Grote vreugde uiteraard. Hoe het toernooi voor hem afliep, is voor jullie na te zoeken op internet of te lezen in zijn prachtige boek. 
Overigens heb ik het gevoel dat de analyses die hij toen van dit eindspel maakte, heden ten dage niet meer nodig zouden zijn. De engines zijn nu zo sterk dat ze dit soort stellingen feilloos uitanalyseren...
Toch nog even een kleine opgave: in de stelling hierboven was wit aan zet en na 78. Ke7 kon hij de zwarte koning naar de rand drijven waarna de winst een kwestie van (verfijnde) techniek was. Chéron bespreekt de stelling ook met zwart aan zet. Hoe toon je aan dat wit er ook dán in slaagt om de zwarte koning naar de h-lijn te drijven? Oplossing volgende week.

Vorige week liet ik een fantastische (winst)stelling zien die Jan Timman (aan zet met wit) in het interzonetoernooi van 1979 in Rio bereikt had tegen Velimiroviç en waarvan hij, tijdens het afbreken, had uitgevonden dat eindspelkenner André Chéron hem in zijn Lehr- und Handbuch der Endspiele behandeld had. Ik stelde de vraag hoe wit de zwarte koning naar de h-lijn zou kunnen dwingen als juist zwárt in die stelling aan zet was geweest. De zwarte koning daarheen drijven is belangrijk is, omdat, als de zwarte koning op de h-lijn staat, wit op een zeker moment zijn toren kan geven voor de zwarte pion en loper en dan na Kb4 en a4 kan doorlopen naar dame. Het voert te ver dat hier te demonstreren, maar het antwoord op mijn vraag leidt er allereerst toe dat we ons afvragen: wát gaat zwart eigenlijk doen in de diagramstelling van vorige week? Chéron toont aan dat wit of  kan zorgen dat hij in de diagramstelling alsnog aan zet komt of  de zwarte koning in het nauw kan drijven. De enige loperzet die in aanmerking komt is 1. .. Lc1 en die leidt na 2. Ke7 Lg5+ (anders Tg3+ en de koning moet naar de rand) 3. Ke8 Lc1 (anders Txa3) 4. Tg3+ snel tot het gewenste resultaat: de zwarte koning op de  h-lijn.
De zet waar het om draait is dus kennelijk 1. .. Kg7. De winnende zet blijkt daarna het geniepige 2. Tf4! Chéron laat zien dat zwart hierna in alle varianten verliest. Allereerst blijken loperzetten niet meer te helpen:
2. .. Lc1 3. Tf7+ Kg6 (of 3. .. Kg8 4. Kf6 gevolgd door Kg6 en de zwarte koning is opgesloten, zodat de toren de loper er op tempo uit kan spelen, of 3. .. Kh6 4. Tf1 Le3 (anders Tg1) 5. Tf3 en Tg3) 4. Tf1 Le3 5. Tf3 en Tg3.
Ook 2. .. La1 is onvoldoende: 3. Tf7+ Kg8 (3. .. Kg6 verliest nu direct na 4. Tf3 Lb2 5. Tg3+) 4. Tf3 Lb2 en nu hebben we de beginstelling weer maar nu met wít aan zet: 5. Ke7 en Tg3+ en wint.
De lastigste zet voor wit is 2. .. Lc3. Ook dan volgt 3. Tf7+ Kg8 (op 3 .. Kg6 of Kh6 wint 4. Tf3 en Tg3+) 4. Tf3 Lb4 (of 4. .. Lb2 5. Ke7 en wint) 5. Tg3+! Kf8 6. Tb3 Lc5 7. Tc3 Lb4 8. Tc7 Ld2 (of e1 of a5, en ook niet 8. .. Kg8 wegens 9. Kf6 gevolgd door Tf7 en Kg6 met een winststelling die we hierboven ook al zagen) 9. Tf7+ Kg8 (of 9. .. Ke8 10. Ta7 en wint) 10. Kf6 en Kg6 met wederom een hierboven beschreven winststelling. 
De zetten 2. .. Kg6 en 2. .. Kh6 worden uiteraard meteen met 3. Tg3(+) beantwoord en na 2. .. Kg8 bereiken we met 3. Ke7 weer een stelling waarin zwart niet kan verhinderen dat zijn koning na 4. Tg4+ naar de h-lijn moet.
Een stelling die mooi demonstreert hoe je met een toren een loper de baas kunt blijven.

Frank Hoogenboom

Vorige week startte ik een nieuwe serie Voor in de pauze met een stelling uit het tweede deel van het Lehr- und Handbuch der Endspiele van André Cheron. 
De oplossing van de opgave die daarbij stond, luidt als volgt. 
De witte koning is opgesloten geraakt op a8 en de zwarte koning zal altijd proberen die opsluiting te handhaven. Dat lukt hem alleen als hij blijft pendelen tussen c8 en c7. Wit heeft een paard en de eigenaardigheid van de paardensprong is nu eenmaal dat hij in een volstrekte regelmaat nu eens op wit en dan weer op zwart staat. En daar ligt de clou: als wit de zwarte koning schaak zet wanneer deze op c8 of c7 staat, zal hij nooit kunnen winnen, want dan doet de koning exact wat hij graag wil: pendelen naar c7 (of c8). Maar als wit de pendelende koning niet schaak kan zetten, wint hij juist, omdat hij de koning dán zijn pendelveld (c8 of c7) kan ontnemen. De zwarte koning moet naar elders uitwijken en wit wint door Kb8, gevolgd door promotie van zijn a-pion. De stelling is dus remise als wit aan zet is (want dan zal hij de koning schaak zetten) maar gewonnen als zwart aan zet is. 
Nu dacht ik: hoe zou zo'n vreemde stelling nu kunnen ontstaan? Juist van mijn grote idool, Samuel Loyd, noemt Chéron in zijn handboek vervolgens de volgende studie waarin zoals vaker bij Loyd, niets is wat het lijkt. Kleine hint: 1. Lc6+ faalt op 1. .. Kg1 en zwart wint. Hoe het wel moet, laat ik volgende week zien.

Verder maak ik een start met een ander mooi thema uit deel 2 van Chéron, het eindspel van koning+loper+randpion tegen koning. Zoals bekend is dat gewonnen voor de sterkere partij als de loper het promotieveld bestrijkt. Dan kan hij de koning daar verjagen en vervolgens met steun van zijn eigen koning de pion tot promotie brengen. Heel anders wordt het als de loper het promotieveld níet bestrijkt. Dan houdt de koning-alleen remise als hij het promotieveld weet te bereiken. En om dat thema draait het in de stelling uit het tweede diagram, een studie van Troitsky uit 1896, nr. 763 in deel 2 van Chéron. Wit begint en wint! En wederom: onze loper offert zich graag op voor de goede zaak: de promotie van ons lief klein pionnetje! Oplossing volgende week.

Frank Hoogenboom